Inventarisatie broedvogels (foto Yves Adams/Vilda)
Impact beheerovereenkomsten akker- en weidevogels
Sinds 2000 kunnen landbouwers in het kader van het plattelandsbeleid beheerovereenkomsten sluiten om actief te werken aan de verbetering van milieu en natuur in het landbouwgebied. De vraag naar kennis en informatie over de ecologische effectiviteit van die agromilieumaatregelen is groot. In opdracht van het departement Landbouw en Visserij onderzocht het INBO in 2010 op systematische wijze verbanden tussen de inzet van agromilieumaatregelen en de dichtheden en diversiteit van ‘landbouwvogels’.
We ontwikkelden een indicatorenset waarmee op Vlaams niveau de impact van agromilieumaatregelen op broedvogels in het landbouwgebied kan opgevolgd worden. Die indicator combineert de resultaten van het meetnet ‘Algemene Broedvogels Vlaanderen’ (INBO & Natuurpunt) met teelt- en gebruikersinformatie van landbouwpercelen (verzameld via de jaarlijkse verzamelaanvragen van landbouwers). Een ruimtelijke analyse van de gegevens uit de periode 2007–2009 toonde een positieve correlatie tussen de diversiteit van broedvogels op het platteland en de inzet van agromilieumaatregelen met een natuurdoel.
Meer vogels bij meer beheersovereenkomsten
Om de oorzakelijkheid van dit verband na te gaan, verrichtten we tijdens het broedseizoen 2010 in 14 landbouwgebieden detailmetingen naar het effect van beheerovereenkomsten op akker- en weidevogels. Een analyse van de ruimtelijke patronen in dit meetnet kon de resultaten van de indicatoranalyse op niveau Vlaanderen niet bevestigen. Wel bleek dat, na rekening te houden met verschillen in habitatkwaliteit, er meer vogels en meer vogelsoorten voorkomen in gebieden waar er veel beheerovereenkomsten weidevogelbeheer uitgevoerd worden. Van de beheerovereenkomsten akkervogelbescherming, die pas sinds 2009 actief zijn, kon in het broedseizoen 2010 nog geen effect worden vastgesteld.
Om uitsluitsel te geven over de effectiviteit van deze maatregelen zouden de 14 geselecteerde landbouwgebieden over een langere periode opgemeten moeten worden. Indien die metingen bevestigen dat beheerovereenkomsten netto bijdragen tot een verhoogde biodiversiteit, kunnen we vervolgens nagaan welke oppervlakte je minimaal moet beheren om de populaties plattelandsvogels op Vlaamse schaal te herstellen en in stand te houden.
Diederik Strubbe, Pieter Verschelde, Maarten Hens, Carine Wils, Dirk Bauwens, Maarten Dermout & Luc De Bruyn